De Westelijke Jordaanoever is bezet

José Hak en Maaike van Charante stellen in een rapport van meer dan 300 pagina’s dat NOS-kinderprogramma’s een pro-Palestijnse bias vertonen. Op pagina 135 citeren ze NOS als volgt:

“(0.30) In deze video hebben we het over de bezetting van de Westelijke Jordaanoever.”

Hak en Van Charante geven hierop het volgende commentaar:

“Bezetting (hier met sterke klemtoon) is geen neutrale term, het roept in Nederland associaties op met de Duitse bezetting, terwijl het hier om een heel andere zaak gaat. Bijvoorbeeld: de Westelijke Jordaanoever was nooit een soeverein land, en geen enkel ander land kan er legitiem aanspraak op maken. Dat de Oslo Akkoorden geen vervolg hebben gekregen, kan niet alleen Israël worden verweten. Militair bestuur – of in bovenstaande zin ‘situatie’ – zou een betere term zijn.”

Dit is onzin. De Westelijke Jordaanoever is bezet gebied volgens het internationaal recht. Het Internationaal Gerechtshof bevestigde dat in 2024: de bezetting is illegaal en moet worden beëindigd. Ook de nederzettingen moeten verdwijnen.

Waar vinden we volkenrecht?

Volgens ministerie van Buitenlandse Zaken:

“Artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof (ICJ) noemt de belangrijkste rechtsbronnen:

  • Internationale verdragen
  • Internationale gewoonte
  • Door beschaafde naties erkende algemene rechtsbeginselen

Daarnaast kunnen besluiten van internationale organisaties een rechtsbron zijn. Ook kunnen eenzijdige handelingen of verklaringen van staten onder omstandigheden worden aangemerkt als bron van internationaal recht.”

BuZa vergeet paragraaf ‘d’ van artikel 38: “Rechterlijke beslissingen, alsmede de opvattingen van de meest bevoegde schrijvers der verschillende naties, als hulpmiddelen voor het bepalen van rechtsregels.” Dus laten we al deze bronnen bekijken.

Wat is militaire bezetting?

De bezetting valt onder een deelgebied van volkenrecht genoemd oorlogsrecht of humanitair recht.

Definitie: Een territorium is bezet wanneer het onder gezag van een vijandig leger staat, of een leger heeft effectieve controle over het gebied. Vaak leidt het leger zelf het gebied, bijvoorbeeld door een militair het opperhoofd te maken en de functies van een regering uit te oefenen. Wie, zoals Hak en Van Charante, stelt dat de Westelijke Jordaanoever onder ‘militair bestuur’ valt, erkent daarmee per definitie dat het om een bezet gebied gaat.

De belangrijkste spelregels van oorlogsvoering staan in enkele verdragen: de Haagse Conventie van 1907 bevat een “Reglement betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog te land” (Hague Regulations) en de vier Geneefse Conventies. De 4e Geneefse conventie van 1949 (GC IV) gaat over de bescherming van burgers in oorlogstijd en is voor ons van belang.

Kan men alleen het territorium van een ander land bezetten?

Sommige Israël-supporters beweren dat Israël de Westbank niet bezet omdat er geen Palestijnse staat bestond (“de Westelijke Jordaanoever was nooit een soeverein land”, Hak en Van Charante). Echter, in modern volkenrecht, bestaan meer soorten bezetting. In zijn artikel “What Is a Military Occupation?” inventariseert Adam Roberts 17 soorten bezettingen. Een daarvan is voor ons belangrijk: Bezetting van territoria waarvan de status onzeker is of betwist.

Hier zien we meteen de denkfout van de Israël-supporters: zij corrigeren jou dat de Westbank niet ‘bezet’ maar ‘betwist’ zou zijn. Echter een territorium kan wel degelijk tegelijkertijd bezet en betwist zijn. Veel oorlogen gaan over betwiste gebieden waarover meer landen (misschien oprecht) beweren dat ze de rechtmatige eigenaar zijn. En in sommige gevallen is het zelfs moeilijk de echte eigenaar te achterhalen.

Echter bezettingsrecht (onderdeel van oorlogsrecht) wil vooral burgers beschermen. Als het bezettingsrecht alleen zou gelden voor gevallen waar het 100% zeker is welk land de rechtmatige eigenaar is, dan zouden de burgers onbeschermd zijn in gevallen van betwiste gebieden. Daarom is de rechtmatige eigenaar irrelevant voor oorlogsrecht.

Dus zodra een vijandig leger effectieve controle over een gebied buiten de bestaande grenzen van een staat heeft, is er sprake van bezetting.

Enkele voorbeelden van bezette gebieden die geen staten zijn geweest

Na de eerste Wereldoorlog werden de voormalige Duitse en Ottomaanse kolonies mandaten van het Volkerenbond. De overwinnaars van de oorlog zouden deze gebieden tijdelijk administreren totdat de kolonies op eigen benen kunnen staan. Zo administreerde Groot Brittannië Palestina.

Namibië
Zuid-Afrika administreerde Namibië (onder de naam Zuidwest-Afrika). De VN beëindigde het mandaat voor Namibië, maar Zuid-Afrika weigerde te vertrekken. De VN noemde deze weigering een ‘illegale bezetting’. (Bezetting is meestal legaal en kan illegaal worden).

Ook het ICJ gaf een adviesopinie daarover en verklaarde de situatie een illegale bezetting.

Oost-Timor
Na de revolutie abandonneerde Portugal haar kolonie Oost-Timor. Hier ontstond een burgeroorlog en de organisatie Fretilin verklaarde eenzijdig onafhankelijkheid, maar Oost-Timor was nog geen staat. Indonesië viel Oost-Timor binnen en annexeerde haar. De wereldgemeenschap beschouwde ook deze toestand als een militaire bezetting.

Westelijke-Sahara
Spanje vertrok uit haar kolonie in de Westelijke-Sahara en liet haar onder gedeelde administratie van Marokko en Mauritanië achter. Ondanks dat de Westelijke-Sahara geen onafhankelijke staat was, beschouwt de wereldgemeenschap de Westelijke-Sahara als bezet.

De bezetting van de Westelijke Jordaanoever

Palestina was een Brits mandaat, na de invasie van 1917. GB stond toe dat Europese migranten koloniën in Palestina zouden stichten. Het percentage kolonisten groeide van rond 10% in 1917 tot 32% in 1948.

De Arabieren hebben het Palestina-mandaat nooit als legaal geaccepteerd en wilden een onafhankelijke staat worden. Het conflict tussen Arabieren en kolonisten en tussen kolonisten en GB groeide met de dag. GB gooide de handdoek in de ring en de VN nam resolutie 181 aan om het gebied te verdelen in een Joodse en een Arabische staat.

De verdeling zou de Joodse minderheid meer dan de helft en de beste economische gebieden geven. Jeruzalem zou onder internationale administratie vallen.

Het conflict ontaarde in een burgeroorlog en de kolonisten verklaarden onafhankelijkheid. De Arabieren wilden het ICJ laten beslissen of het mandaat legaal was en wie het recht had op Palestina, maar de kolonisten vonden dat geen goed plan.[1]

Toen het aantal Palestijnse vluchtelingen groot werd, na de onafhankelijkheidsverklaring, mengden de legers van de buurlanden zich met het conflict. Egypte bezette Gaza. Jordanië bezette de Westbank, in overeenkomst met de afspraak met de kolonisten om het territorium van de Palestijnen onderling te verdelen. Israël veroverde 78% van Palestina.

In 1967 riep Israël dat Egypte haar had aangevallen en viel Egypte aan. Jordanië en Syrië, die een verdedigingsverdrag met Egypte hadden, zoals NAVO, schieten Egypte te hulp. Israël veroverde Gaza, Sinaï, de Westbank en de Golanhoogten (van Syrië).

Waarom is de Westbank bezet?

De Golan is evident bezet, maar Israël ontkent dat de Westbank bezet is. Hoe weten we dat het bezet is?

Het Internationaal Gerechtshof

Zoals over Namibië en de Westelijke Sahara mocht het Internationaal Gerechtshof een adviesopinie geven, in 2004. De rechters zeiden dat de Westbank evident bezet is. De adviesopinie is niet bindend maar wel een gezaghebbende uitleg van het internationaal recht. Dus het beste juridische argument dat je kan vinden.

Landen maken volkenrecht op twee manieren: via verdragen en via gedrag (gewoonte). Verdragen zijn bindende contracten. Gewoonterecht berust op herhaling van gedrag. Hoe meer landen ‘denken’ dat er een regel in volkenrecht bestaat en ze die regel volgen, hoe sterker de regel wordt. Ook als landen een verdrag massaal afsluiten, is dat een bewijs van hun gedrag, van hun juridische overtuiging (opinio juris). Dus ook verdragen kunnen bewijs van gewoonterecht zijn.

Zo verklaarde het ICJ dat artikel 42 van de Hague Regulations gewoonterecht is geworden. In dit artikel staat de bezettingsdefinitie: “territory is considered occupied when it is actually placed under the authority of the hostile army.” Israël veroverde de Westbank in 1967, dus volgens gewoonterecht is de Westbank bezet, inclusief Oost-Jeruzalem.

De Vierde Geneefse Conventie (CG IV)

Dit verdrag gaat over de bescherming van burgers tijdens de oorlog en tijdens bezetting. Artikel 2 begint met:

“Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.

Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet.” [mijn vet]

Israël en de Israël-supporters zeggen dat CG IV niet van toepassing is omdat de tweede paragraaf spreekt van het grondgebied van een andere staat, maar Jordanië (menen de Israël-supporters) was zelf een bezetter, geen rechtmatige eigenaar.

Echter het ICJ en de rest van de wereld beroept zich op de eerste paragraaf, die duidelijk zegt dat landen bij elk militair conflict het verdrag moeten respecteren. De tweede paragraaf zegt alleen dat het verdrag ook geldt wanneer een land geweldloos zonder verzet bezet wordt. Deze paragraaf was toegevoegd als extra veiligheid, zodat de burgers in alle mogelijke gevallen beschermd worden.

Sterker nog, het ICJ zegt dat Israël zelf had toegegeven dat GC IV van toepassing was toen Israël onmiddellijk na de zesdaagse oorlog een militaire oekaze nam waarin het stond: “the Military Court… must apply the provisions of the Geneva Convention dated 12 August 1949 relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War with respect to judicial procedures. In case of conflict between this Order and the said Convention, the Convention shall prevail.”

Protocol I GC IV

Landen veranderen verdragen door protocollen toe te voegen. Protocol I vult de Geneefse Conventies aan. Omdat Israël GC IV fout interpreteert, hebben de landen de bezetting nog verder verduidelijkt in paragraaf 4 van artikel 1: de Geneefse Conventies zijn ook van toepassing tijdens “gewapende conflicten waarin volkeren vechten tegen koloniale overheersing en vreemde bezetting en tegen racistische regimes, in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking…”

Deze paragraaf is bedoeld om de Israëlische interpretatie te weerleggen. 174 andere landen hebben het protocol geratificeerd en 3 anderen hebben het ondertekend (behalve Israël). Het grote aantal landen geeft aan hoe staten daarover denken. De Palestijnen hebben zelfbeschikkingsrecht, dus ook zij worden met deze paragraaf bedoeld.

Het Israëlische Hooggerechtshof

Ook dit hof verklaart aan de lopende band dat de Westbank bezet is (de rechters noemen het Judea en Samaria). Bijvoorbeeld:

“The Judea and Samaria areas are held by the State of Israel in belligerent occupation. The long arm of the state in the area is the military commander. He is not the sovereign in the territory held in belligerent occupation…. His power is granted him by public international law regarding belligerent occupation. The legal meaning of this view is twofold: first, Israel law does not apply in these areas. They have not been ‘annexed’ to Israel. Second, the legal regime which applies in these areas is determined by public international law regarding belligerent occupation… In the center of this public international law stand the Regulations Concerning the Laws and Customs of War on Land, The Hague, 18 October 1907… These regulations are a reflection of customary international law. The law of belligerent occupation is also laid out in IV Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War 1949…” [mijn vet][2]

En in de rechtszaak Beit Sourik zei het hof: “The military commander’s authority is also anchored in IV Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War 1949.” Dit is een stiekeme toegeving dat GC IV van toepassing is.

Sterker nog, Israël heeft het zelf voor het Hooggerechtshof beargumenteerd. In 2005 vertrok Israël uit Gaza en de settlers stapten naar het Hooggerechtshof. De Israëlische regering beargumenteerde dat Gaza bezet was, dat de bezetting per definitie tijdelijk is en daardoor moest men de nederzettingen ontruimen.[3]

De grappigste toegeving komt van de Israëlische kolonisten. Om te voorkomen dat men een steengroeve in de buurt van hun nederzetting zou bouwen, stapten ze naar het Hooggerechtshof. Zij beargumenteerden ook dat de Westbank bezet is en dat de bezettende macht slechts een beheerder is van de natuurlijke bronnen en er niet aan mag komen.[4]

De advocaat-generaal

In een juridisch advies namens de Israëlische advocaat-generaal Meir Shamgar, die later de president van het Hooggerechtshof werd, stond dat volgens GC IV men geen burgers mag verdrijven om oefenterreinen voor het leger (IDF) te maken:

“The civilian population may not be evicted from territories in order to create training areas for the IDF, both for political and humanitarian reasons and for reasons that violate international law. Article 49 of the Convention on the Protection of Civilian Persons by War, to which Israel is a party, expressly prohibits the forcible transfer of civilians in occupied territory, except where immediate combat needs require it. In our case, it cannot be said that combat needs necessitate the evacuation of the areas intended to be training areas, and therefore the forcible evacuation of the population from these areas would constitute a violation of the provisions of the aforementioned Convention.” [mijn vet]

Dus in de wandelgangen van de Israëlische regering zijn ze wel overtuigd dat de Westbank bezet is en dat GC IV van toepassing is.

Israëlisch gedrag

Het feit dat een militaire autoriteit de Westbank regeert, bewijst dat het bezet is, immers dat is de definitie van bezetting. Sterker nog, bezettingsrecht vereist dat de bezetter de reeds bestaande wetten zover mogelijk behoudt. Israël past op de Palestijnen de wetten van het Ottomaanse Rijk toe, de Britse wetten sinds het mandaat, de wetten van Jordanië tijdens de bezetting en de vroegere Egyptische wetten in Gaza. Dus het Israëlische gedrag bewijst dat de Westbank bezet is.

De VN

Er zijn veel VN-resoluties waarin staat dat de Westbank bezet is. Neem bijvoorbeeld het recentelijk Resolutie 2334 van de Veiligheidsraad, gestemd met 14-0 (de VS heeft zich onthouden). Daar staat dat de Westbank bezet is en daardoor de nederzettingen illegaal zijn.

De Opinio Juris

Alle staten hebben de Geneefse Conventies geratificeerd. Zij houden regelmatig conferenties en daar verklaren ze unaniem dat de Westbank bezet is. Dit toont twee dingen aan. Ten eerste de juridische opinie van de staten (en we hebben gezien dat staten gewoonterecht ook via hun opinie maken). Ten tweede, verdragen worden ook geïnterpreteerd door het gedrag van de staten achteraf. Dus als staten achteraf unaniem zeggen dat GC IV van toepassing is, dan is dat de correcte interpretatie van GC IV.

Rechtsgeleerden

In elk studieboek voor volkenrechtstudenten staat heel stellig dat de Westbank bezet is. Neem elk vooraanstaand werk van volkenrecht.[5] De overgrote meerderheid van de meest gerespecteerde juristen schrijven alsof het debat allang is beslecht. Twee voorbeelden.

James Crawford was een van de grootste juristen van de laatste 100 jaar en rechter bij het ICJ. Hij schreef in een advies voor de Britse vakbonden: “It is undeniable that Israel occupies the territory of the West Bank.” Een jurist van zijn statuur maakt zulke stellige uitspraken alleen als hij weet dat er geen relevante tegenargumenten bestaan, omdat zijn imago beschadigd zou raken. Hij verscheen als advocaat in 23 rechtszaken voor het ICJ en in een aantal adviesopinies. Palestijnen hebben hem ingehuurd voor de adviesopinie over de Israëlische muur, van 2004. Hij heeft zich in deze materie heel goed verdiept. En het hof heeft zijn argumenten overgenomen, dus hij weet wat hij zegt.

Ook Theodor Meron is een van de grootste juristen, die rechter was bij verschillende oorlogstribunalen. Hij was in 1967 adviseur van de Israëlische regering. In een geheim memo schreef hij een paar maanden na de oorlog dat de Westbank bezet is en dat het verboden zou zijn om nederzettingen te bouwen.

In 2017 schreef Meron een artikel in het eminente blad American Journal of International Law dat dit debat allang beslecht zou moeten zijn. Immers, er zijn overweldigende argumenten voor de orthodoxie: de Veiligheidsraad heeft daarover resoluties aangenomen; het Rode Kruis noemt het bezetting en deze organisatie is een vooraanstaande duider van oorlogsrecht; de partijen van de Geneefse Conventies (dus alle landen), zijn het eens dat de Westbank bezet is; zelfs het Israëlische Hooggerechtshof heeft toegegeven dat de Westbank bezet is en dat ideologische nederzettingen illegaal zijn; het Internationaal Gerechtshof heeft dit bevestigd in de adviesopinie van 2004. Dus, concludeert Meron, de waarheid staat rotsvast.

De adviesopinie van 2024

Op 19 juli 2024 heeft het Internationaal Gerechtshof (ICJ, het Hof) opnieuw een advies uitgebracht over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse gebieden.

Adviezen van het ICJ zijn niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend, omdat het voornaamste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties (VN) daarin een uiteenzetting geeft van het geldende internationaal recht.

Het ICJ stelt dat Israël verschillende regels van het internationaal recht schendt:

  • Het verbod op het gebruik van geweld door staten, doordat sprake is van annexatie van bezet Palestijns gebied;
  • Het humanitair oorlogsrecht, inclusief het bezettingsrecht;
  • Mensenrechten, waaronder het verbod op discriminatie en het recht op zelfbeschikking.

Volgens het Hof leidt de schending van het verbod op annexatie, en het feit dat de Palestijnse bevolking haar recht op zelfbeschikking niet kan uitoefenen, ertoe dat de voortdurende aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse gebieden – en daarmee ook de voortdurende bezetting – onrechtmatig is.

Het ICJ verbindt verschillende rechtsgevolgen aan de schendingen door Israël:

  1. Israël moet zo snel mogelijk een einde maken aan zijn aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden, onmiddellijk stoppen met de uitbreiding van nederzettingen en alle kolonisten uit deze gebieden evacueren. Daarnaast moet Israël rechtsherstel bieden aan alle natuurlijke en juridische personen die schade hebben opgelopen als gevolg van het onrechtmatig handelen.
  2. Andere staten (waaronder Nederland) hebben onder internationaal recht de verplichting om de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige bezetting door Israël van de Palestijnse gebieden niet te erkennen, en om geen hulp of bijstand te verlenen die bijdraagt aan het handhaven van deze situatie. Ook zijn alle staten op basis van het Vierde Verdrag van Genève verplicht te verzekeren dat Israël de regels van het humanitair oorlogsrecht eerbiedigt.
  3. Internationale organisaties hebben onder internationaal recht eveneens de verplichting om de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige bezetting door Israël van de Palestijnse gebieden niet te erkennen. Dit geldt ook voor de VN-Veiligheidsraad (VNVR). Daarnaast draagt het ICJ de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) en de VNVR op om na te gaan welke verdere stappen nodig zijn om snel een einde te maken aan de onrechtmatige bezetting.

Het advies bevestigt verder de voortdurende toepasselijkheid van Israëls verplichtingen op basis van het bezettingsrecht in Gaza, ook na het terugtrekken van de Israëlische krijgsmacht uit Gaza in 2005.

Het Hof stelt daarnaast vast dat het Israëlische optreden in de bezette Palestijnse gebieden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Dit artikel bepaalt dat staten die partij zijn bij het verdrag in het bijzonder rassenscheiding en apartheid veroordelen, en verplicht zijn om op hun grondgebied alle uitingen van dien aard te voorkomen, te verbieden en uit te bannen.

Het Hof gaat ook in op de Oslo-akkoorden. Het erkent dat Israël en de Palestinian Liberation Organization (PLO) door middel van deze akkoorden afspraken hebben gemaakt over hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden ten aanzien van de door Israël bezette gebieden. Israël heeft op basis van de Oslo-akkoorden zeggenschap over een groot deel van deze gebieden, totdat Israël en de PLO andere afspraken maken en uiteindelijk tot een tweestatenoplossing komen. Daarbij is het van belang dat internationaal aanvaarde normen en beginselen op het gebied van mensenrechten en de rechtsstaat in acht worden genomen.

Het Hof geeft aan dat de legitieme rechten van het Palestijnse volk, zoals erkend in de Oslo-akkoorden, ook het recht op zelfbeschikking omvatten. Verder stelt het Hof dat de akkoorden partijen verbieden om “enige stap te initiëren of te nemen die de status van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook zou veranderen, in afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen over de permanente status”.

Het Hof merkt daarbij op dat bij de interpretatie van de Oslo-akkoorden rekening moet worden gehouden met artikel 47 van het Vierde Verdrag van Genève, dat bepaalt dat de beschermde bevolking de voordelen van het verdrag niet mag worden ontnomen door een overeenkomst tussen de autoriteiten van de bezette gebieden en de bezettende macht.

Samenvattend concludeert het ICJ dat de Oslo-akkoorden Israël niet ontslaan van zijn verplichtingen onder het bezettingsrecht. Voorbeelden van door het ICJ vastgestelde schendingen van dit recht zijn: de gedwongen verplaatsing van personen, het overbrengen van de eigen bevolking naar bezet gebied, en de vernietiging van eigendom.

Het Hof heeft vastgesteld dat de Palestijnen recht hebben op een onafhankelijke staat binnen 100% van de bezette gebieden. Bovendien heeft het Hof verklaard dat alle staten verplicht zijn samen te werken om het recht op zelfbeschikking van de Palestijnen te verwezenlijken.

Een ander belangrijk onderdeel van de uitspraak:

“The Court considers that the duty to distinguish dealings with Israel between its own territory and the Occupied Palestinian Territory includes, inter alia, the obligation to refrain from treaty relations with Israel in any instance where it purports to act on behalf of the Occupied Palestinian Territory, or any part thereof, in matters concerning the Occupied Palestinian Territory or parts of its territory; to refrain from entering into economic or trade dealings with Israel concerning the Occupied Palestinian Territory, or parts thereof, that may entrench Israel’s unlawful presence in the territory; to refrain, in the establishment and maintenance of diplomatic missions in Israel, from any recognition of its illegal presence in the Occupied Palestinian Territory; and to take steps to prevent trade or investment relations that support the maintenance of the illegal situation created by Israel in the Occupied Palestinian Territory.”

Ook Nederland getuigde dat de bezetting onrechtmatig was geworden en dat de Palestijnen het recht hebben op gewapend verzet:

“If a struggle by a people for the implementation of its right of self-determination in the context of colonial domination or foreign occupation is accompanied by the use of armed force by such people, this use of armed force must be in accordance with international law.”

Het is dus basiskennis van het volkenrecht dat de Westelijke Jordaanoever bezet is. De NOS heeft dus niets fout gedaan door de Westelijke Jordaanoever als bezet te noemen.


Literatuur:

Y. Arai-Takahashi. The law of occupation: continuity and change of international humanitarian law, and its interaction with international human rights law. Nijhoff, 2009.

Y. Dinstein. The International Law of Belligerent Occupation. Leiden: Cambridge University Press, 2009.

E. Lieblich, and E. Benvenisti. Occupation in international law. First edition ed, Elements of international law eil cloth. Oxford University Press, 2022.

  1. John Quigley. (2021). The Legality of a Jewish State: A Century of Debate over Rights in Palestine. Cambridge University Press
  2. Israel High Court HCJ 7957/04, Mara’abe v. The Prime Minister of Israël, 21 juni, 2005
  3. David Kretzmer en Yaël Ronen. (2021) The Occupation of Justice: The Supreme Court of Israel and the Occupied Territories. Oxford University Press. Pag. 60.
  4. David Kretzmer en Yaël Ronen. (2021) The Occupation of Justice: The Supreme Court of Israel and the Occupied Territories. Oxford University Press. Pag. 60.
  5. Bijvoorbeeld: Lieblich and Benvenisti 2022.. Arai-Takahashi 2009.. Dinstein 2009.. Benvenisti 2011.

 

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven